avdm.gif

Onderwijs en niet-westerse allochtonen
Home
Nieuws
Integraal management
New Public Management
De kloof Burger en EU
Netwerksamenleving
Gemeentelijke Sociale Dienst
Changing Values and Political Styles Among Western Publics
HRM in publieke organisaties
Rijksbesluitvorming "Gedeelde Macht"
Onderwijs en niet-westerse allochtonen
Stimuleringsprojecten Allochtone Groepen
Ethische kwesties rond euthanasie
Overheidsloket 2000
Nederlandse normen vervagen!
Unification (Einstein)
Kwantumtheorie
Theologie
Forum
Links en downloads
Portfolio
Contact

Auteurs: S. van Doorn en Drs. A. van de Maat (2003).
 
 
Wat is de hedendaagse positie van de niet-westerse allochtonen in het onderwijs?

Niet-westerse allochtonen binnen het onderwijs -2003-

 

 

De veronderstelde achterstandspositie van de niet-westerse allochtonen binnen het onderwijs met oog op de arbeidsmarktpositie

 

 

Literatuurstudie en analyse in het kader van de module Analyse Maatschappelijke Verschillen

 

 

Saxion Hogeschool Enschede, Organisatie Bestuur & Recht, Bestuurskunde

 

 

Aryan van de Maat

Stefan van Doorn

  

Enschede, Opdracht: rapport, april 2003

 

Voorwoord

 

 

Voor u ligt de eerste uitgave van het AMV-team Niet-westerse allochtonen binnen het onderwijs 2003. In het kader van de module Analyse van Maatschappelijke Verschillen (AMV) is er een analyse gemaakt van de (maatschappelijke) verschillen onder de groep niet-westerse allochtonen en autochtonen binnen het onderwijs.

Deze publicatie is bedoeld voor iedere persoon die geïnteresseerd is in de positie van de niet-westerse allochtonen binnen het onderwijs. In dit rapport zal de lezer op de hoogte worden gebracht en een mogelijke uitleg worden gegeven over de vaak geconstateerde (maatschappelijke) verschillen onder de niet-westerse allochtonen en autochtonen binnen het onderwijs. In deze analyse wordt getracht een heldere, toegankelijke en beleidsrelevante analyse te geven van deze sociale ongelijkheid en maatschappelijke verschillen tussen de niet-westerse allochtonen en autochtonen met betrekking tot het Nederlandse onderwijs en met oog op hun arbeidsmarktpositie.

 

Deze publicatie is samengesteld in opdracht van Organisatie Bestuur en Recht aan Saxion Hogeschool te Enschede. Dit rapport is mede dankzij de adviserende- en begeleidende rol van de module verantwoordelijken, drs. R.P.I.J. Schreuder-Peters en drs. G.B.J. Mensink mogelijk gemaakt. Onze dank gaat daarom uit naar deze betrokkenen. Ook gaat onze speciale dank uit naar mevr. S. Onsal van het Steunpunt Minderheden Overijssel (SMO).

 

 

Enschede, april 2003.

 

AMV-Team, Groep A3

Aryan van de Maat

Stefan van Doorn


 

Samenvatting

 

 

Het aantal allochtonen in ons land neemt toe. Tot 2010 groeit het aantal niet-westerlingen in ons land met bijna 420.000 mensen, terwijl de totale bevolking in dezelfde periode groeit met 560.000 mensen. Dat houdt in dat de allochtonen driekwart van de bevolkingsgroei voor hun rekening neemt.

(Judith Janssen, Spits, woensdag 19 maart 2003)

 

Van de tien autochtonen schoolverlaters gaat er bijna één van school zonder diploma. Onder de allochtone schoolverlaters, en met name onder de gekozen onderzoekspopulatie is dit percentage aanzienlijk groter en zelf verontrustend te noemen

(CBS Publicaties Webmagazine, 10 maart 2003)

 

In Nederland neemt het aantal niet-westerse allochtonen sterker toe dan het aantal autochtonen. De niet-westerse allochtone groep en hun positie binnen het onderwijs (met oog op de uiteindelijke positie op de arbeidsmarkt) speelt dus een steeds grotere rol in de Nederlandse maatschappij.

Door het uitvoeren van de analyse van de veronderstelde achterstandspositie binnen het onderwijs van niet-westerse allochtonen, is er een beeld verkregen van de belangrijkste verklaringen voor deze achterstandspositie. De aanpak van de rapportage Niet-westerse allochtonen binnen het onderwijs 2003 is de hand van actuele gegevens beschreven en geanalyseerd. Deze rapportage analyseert de verschillen en overeenkomsten in de onderwijspositie van de onderscheiden niet-westerse allochtone onderzoeksgroep ten opzichte van de autochtone bevolking. De analyse spitst zich toe op de factoren die de gevonden verschillen kunnen verklaren. Vervolgens worden de mogelijke maatschappelijke effecten van de onderwijsachterstandspositie van niet-westerse allochtonen behandeld.

De overheid streeft in het kader van haar Nederlandse integratiebeleid naar een evenredige positie van de niet-westerse allochtonen in de Nederlandse samenleving en voert beleid dat gericht is op de realisering van die evenredigheid, vooral op het te analyseren gebied van onderwijs met oog op de arbeidsmarkt. Onze AMV-rapportage heeft tot taak dit overheidsbeleid te ondersteunen met analyses van de onderwijspositie van niet-westerse allochtonen. Uiteindelijk zijn er aanbevelingen gedaan met oog op de overheid en haar onderwijsinstellingen en met oog op de groep niet-westerse allochtonen.

De belangrijkste verklaringen voor de belangrijkste problemen van bepaalde groepen met betrekking tot de onderwijspositie, kunnen worden toegeschreven aan een lage sociaal-economische status, het thuis spreken van de buitenlandsemoedertaal en verschillen in motivatie om te integreren in de maatschappij en binnen het onderwijs. Immers het opleidingsniveau, de onderwijsloopbanen van de niet-westerse allochtone kinderen, hun uiteindelijke positie op de arbeidsmarkt en de situatie van deze werkenden zijn bepalende kenmerken van de positie van de onderzoeksgroep in de Nederlandse samenleving.

Uit de analyse en ons onderzoek blijkt dat er sprake is van een maatschappelijk verschil en maatschappelijk kloof (positie binnen het onderwijs) tussen niet-westerse allochtonen en autochtonen in Nederland. Hoewel de verschillen tussen en binnen de etnische groepen aanmerkelijk zijn, lijkt de algehele situatie binnen het onderwijs zorgwekkend. Gemiddeld hebben de niet-westerse allochtone kinderen een aanmerkelijke (onderwijs)achterstand in cognitieve ontwikkeling en taalvaardigheid, waardoor de toegang tot de betere banen (een voorbeeld van een maatschappelijk effect) is afgesloten. Om een voorbeeld te geven: In Turkse en Marokkaanse kring in Nederland treft men meer kinderen aan zonder enig schooldiploma.

H.1 Inleiding

 

 

1.1  Achtergrond / Aanleiding

 

Nederland had in de jaren 60 en 70 te maken met grote hoeveelheden toestromende gastarbeiders en overige nieuwkomers. Er was in Nederland destijds sprake van een krapte op de arbeidsmarkt die getracht werd met deze gastarbeiders op te vullen. Na de komst van deze gastarbeiders die voornamelijk uit Turkije, Marokko, kwamen, kwamen vaak ook hun gezinnen naar Nederland. Tevens kende Nederland in die tijd een grote toestroom van bewoners uit (voormalige) koloniën, de Nederlandse Antillen en Suriname.

Tijdens de jaren 80 werd door de Nederlandse overheid erkend, dat de integratie van deze migranten meer aandacht verdiende. De hedendaagse media laat zien dat deze aandacht nog steeds zeer gewenst is, maar weinig tot zijn recht is gekomen. In Nederland is een tweedeling langs etnische lijnen waar te nemen. Het betreft hier een tweedeling waarbij maatschappelijke en culturele tegenstellingen tussen niet-westerse allochtonen versus autochtonen bestaan. Onze huidige Minister-president Balkenende durfde in de voorlaatste verkiezingen tijdens een uitzending van Nova te stellen dat van de integratie van deze migranten tot nu toe nog te weinig van de grond is gekomen en dat de multiculturele samenleving vaak een utopie is gebleken.

Met name wat de arbeidsparticipatie van deze niet-westerse allochtonen betreft, hebben zij te maken met een sterke achterstandspositie ten opzichte van autochtonen.[1] Het opleidingsniveau, de positie binnen het onderwijs en de situatie van de niet-westerse allochtonen zijn uiteindelijk bepalende kenmerken van de positie van de niet-westerse allochtone schoolverlaters in de Nederlandse samenleving en dus op de arbeidsmarkt.

Aan de hand van actuele gegevens en literatuur beschrijft en analyseert deze rapportage de verschillen en overeenkomsten in de onderwijspositie van de onderscheiden niet-westerse allochtonen ten opzichte van de autochtonen. De analyse spitst zich toe op de factoren die de gevonden verschillen kunnen verklaren. Daarnaast worden de maatschappelijke effecten die de verschillen met zich meebrengen gegeven.

Aangezien de Nederlandse overheid streeft naar een evenredige positie binnen het onderwijs, een evenredige positie op de arbeidsmarkt en arbeidsdeelname van deze niet-westerse allochtonen in onze samenleving en een daaraan gekoppeld integratiebeleid, heeft deze rapportage ten doel gesteld dit overheidsstreven met de huidige situatie waarin de niet-westerse allochtonen verkeren, te confronteren en deze te verklaren aan de hand van analyses. Om het geconstateerde maatschappelijke verschil en de sociale ongelijkheid goed af te bakenen is in deze rapportage een dergelijke analyse uitgevoerd ten aanzien van de positie van niet-westerse allochtonen in het onderwijs.

Voordat er in zal worden gegaan op de positie van de niet-westerse allochtonen in het onderwijs, wordt een demografische beschrijving van de gekozen en te analyseren niet-westerse allochtone groeperingen, en een beschrijving van het begrip niet-westerse allochtonen in deze rapportage gegeven.

 

 

1.2  Probleemstelling en onderzoeksvragen

 

Niet-westerse allochtone schoolverlaters, al dan niet met diploma, hebben een vaak een veronderstelde achtergestelde positie wat betreft kansen op werk ten aanzien van autochtone schoolverlaters. Er werken immers relatief meer niet-westerse allochtone schoolverlaters in sectoren waarin laaggeschoolde arbeid wordt verricht dan autochtone schoolverlaters.[2] Ook blijkt volgens een internationale test van scholieren in het Duitse dagblad Die Welt dat een schoolklas met een gering percentage niet-westerse allochtone leerlingen aanzienlijk lagere leerprestaties levert dan een homogene klas.[3]

In het algemeen mag gesproken over een causaal verband tussen aan de ene kant het opleidingsniveau en sociale positie van de niet-westerse allochtone schoolverlaters, en aan de andere kant de kans op de arbeidsmarkt (arbeidsdeelname) voor niet-westerse allochtone schoolverlaters in Nederland. In deze rapportage worden zodoende de verschillen in de positie tussen niet-westerse allochtonen en autochtonen binnen het onderwijs in Nederland beschreven, geanalyseerd en getracht te verklaren. Daartoe is de volgende probleemstelling geformuleerd. Hoe laat zich de veronderstelde achterstandspositie van niet-westerse allochtonen ten opzichte van autochtonen binnen het onderwijs verklaren?

 Om deze probleemstelling te kunnen beantwoorden zijn daartoe twee onderzoeksvragen geformuleerd. Allereerst zal er beschreven worden of er sprake is van een achterstandspositie van niet-westerse allochtonen ten opzichte van autochtonen binnen het onderwijs. Vervolgens zal geanalyseerd worden hoe de veronderstelde achterstandspositie binnen het onderwijs van deze niet-westerse allochtonen ten aanzien van autochtonen is te verklaren. Daarnaast zullen de maatschappelijke effecten van de maatschappelijke verschillen tussen niet-westerse allochtonen en autochtonen met betrekking tot de onderwijsposities worden gegeven.

 

Probleemtype:

De analyse met betrekking tot de veronderstelde achterstandspositie van niet-westerse allochtonen ten opzicht van autochtonen binnen het onderwijs, zal aan de hand van het model van de Graaf & Hoppe worden belicht. In dit model worden vier typen beleidsproblemen beschreven. Voor deze analyse is het alleen van belang om aan te geven tot welke type beleidsprobleem onze probleemstelling en analyse behoort. Op om de oorzaken en effecten van een achterstandspositie in het onderwijs weer te kunnen geven, mag er geconcludeerd worden, dat het centrale probleem zich niet gemakkelijk laat verklaren. De problematiek binnen het onderwijs is een politiek probleem. De meningen lopen uiteen over wat nu precies de werkelijke aard van het beleidsprobleem is. Tevens zijn de opvattingen omtrent de kennis- en de waardendimensie voorwerp van felle strijd. Daarbij komt bij, dat de ontwikkelingen in het onderwijs in belangrijke mate afhanelijk zijn van de ontwikkelingen in andere maatschappelijke sectoren (zoals sociale achtergrond, thuissitueatie, etc.). Concluderend kan worden opgemerkt, dat de onzekerheid over de effectiviteit van deze maatregelen per definitie erg groot is. Volgens het analyse- model van de Graaf en Hoppe is er zodoende duidelijk sprake van een ongestructureerd probleem.

 

 

1.3  Bevolkinggroep[4]

 

Schema 1

Nederland telt in het jaar 2002 zon 16 miljoen inwoners, daarvan is ongeveer 10 % (1,6 miljoen) van niet-westerse afkomst (zie schema 1). Meer dan twee derde van de niet-westerse allochtone groep blijkt uit de klassieke niet-westerse allochtone groepen zoals Turken, Marokkanen, Surinamers en Antillianen te bestaan en wordt daarom aangemerkt als de grootste omvangrijke groep niet-westerse allochtonen.

De verwachtingcijfers van het jaar 2002 van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) tonen aan, dat er in 2010 zon 2 miljoen niet-westerse allochtonen in Nederland zullen wonen. Een sterke groei ten opzichte van de autochtonen in Nederland. Ruim een derde van deze niet-westerse allochtonen is van de tweede generatie en deze groep neemt het meest in omvang toe.

 

 

 

1.4  Onderwijs / schoolverlaters

 

Het succesvol afronden en verlaten van het onderwijs is in onze Nederlandse maatschappij één van de belangrijkste factoren om een kans van slagen te hebben op de arbeidsmarkt. Vanaf eind jaren zestig kwam de eerste groep niet-westerse allochtone leerlingen in het Nederlandse onderwijs. In het begin waren dat voornamelijk Turkse en Marokkaanse leerlingen, daarna Surinaamse en Antilliaanse leerlingen. Het onderwijs en hun onderwijspositie is van grote invloed op de niet-westerse allochtonen, al is het alleen al met oog op hun latere arbeidspositie of voor de ouders die via hun kinderen in contact komen met het Nederlandse onderwijssysteem.

Cijfers van het CBS[5] laten zien, dat het erg belangrijk is om te weten hoe de onderwijspositie van de Niet-westerse allochtone scholieren eruit ziet en hoe deze te verklaren zou zijn. Zo laten CBS-cijfers zien de niet-westerse allochtone jongeren het onderwijs vaker zonder een diploma verlaten dan autochtone scholieren. Zo zouden volgens het CBS deze niet-westerse allochtone mede door deze veronderstelde achterstandspositie minder kans hebben op een (vaste) baan dan autochtonen.

 

 

1.5  Onderzoeksdoel

 

Het onderzoeksrapport moet inzicht geven in de knelpunten ten aanzien van de veronderstelde achterstandspositie binnen het onderwijs van de niet-westerse allochtonen ten opzichte van autochtonen. Het onderzoek geeft daarom een analyse van de maatschappelijk verschillen tussen niet-westerse allochtonen en autochtonen binnen het onderwijs. Daarbij zal in het bijzonder gekeken naar de (maatschappelijke) effecten ten aanzien van de arbeidsmarktpositie van de niet-westerse allochtonen.

 

 

1.6  Begripsomschrijving achterstandspositie niet-westerse allochtonen

 

Achterstandspositie

Het begrip achterstand laat zich volgens de dikke Van Dale[6] definiëren als het achterop zijn, het achterblijven. In dit rapport zal het gaan om de of de mogelijke achterstandpositie een achterblijvende positie van niet-westerse allochtonen ten opzichte van autochtonen in het onderwijs. Het gaat in het rapport ten aanzien van het onderwijs, om niet-westerse allochtone leerlingen die door de thuissituatie (ouders) een grotere kans heeft op leer- en ontwikkelingsstoornissen.

 

Niet-westerse allochtonen

Volgens de begripsomschrijving in de Wet Bevordering Evenredige Arbeidsdeelname Allochtonen (WBEAA) zijn allochtonen degene die zich komend van elders (migranten), in Nederland hebben gevestigd en hun kinderen.[7] Uiteraard is het onmogelijk deze gehele groep te beschrijven en te analyseren. Om die reden en aangezien de groep Surinamers / Antillianen en Marokkanen / Turken veelal de meest achtergestelde positie op de arbeidsmarkt innemen[8], is ervoor gekozen om deze groeperingen en hun veronderstelde achterstandspositie binnen het onderwijs te behandelen en te verklaren. Met andere woorden te laten zien hoe de achtergestelde arbeidsmarktpositie van de groep Surinamers / Antillianen en Marokkanen / Turken ten opzichte van autochtonen zich verhoudt en deze te verklaren in termen van onderwijs.

Het is niet de bedoeling geweest deze allochtone groep als de belangrijkste te bestempelen en de aandacht voor overige groepen allochtonen (westerse allochtonen, etc.) te verwaarlozen, maar om ervoor te zorgen dat de gekozen groep allochtonen (Surinamers / Antillianen en Marokkanen / Turken) die het meeste binnen de hedendaagse media naar voren komen(met name de Marokkanen) te belichten en te analyseren voor de lezers. Als binnen deze rapportage wordt gesproken van niet-westerse allochtonen dan bedoelen wij daarmee de personen die uit de gekozen onderzoeksgroep afkomstig zijn, tenzij uit de context blijkt dat een ruimer begrip wordt bedoeld.

 


H.2 Feitelijke positie niet-westerse allochtonen binnen het onderwijs

 

 

2.1  Inleiding

 

Allochtonen hebben vaak een achtergestelde positie ten opzichte van de autochtone bevolking op veel maatschappelijke terreinen. Een van de terreinen waar de achterstand het meest zichtbaar is, is de arbeidsmarktpositie. Vanuit de visie dat opleidingsniveau een directe uitwerking heeft op de arbeidsmarktpositie, zal in dit hoofdstuk de positie van niet-westerse allochtonen binnen het onderwijs worden vergeleken met die van de autochtonen.

 

 

2.2 Onderwijspositie niet-westerse  allochtonen - basisonderwijs.

 

Een gedegen vooropleiding en diplomas staan in onze samenleving in de regel garant voor een goede plaats op de arbeidsmarkt. Voor elke leerling begint de schoolperiode met het volgen van basisonderwijs. Daarom zal er allereerst worden gekeken naar de positie van niet-westerse allochtonen in het basisonderwijs. In 2001 / 2002 zaten er in totaal 1552490 kinderen op het basisonderwijs. Totaal bedroeg het aantal achterstandleerlingen 420000 in het jaar 2001/02. Ondanks de daling van het aantal achterstandsleerlingen over de afgelopen jaren, blijkt nog steeds 27 % van het totaal aan leerlingen in het primair (basis) onderwijs uit achterstandsleerlingen te bestaan. Dit zijn de zogenaamde 1.90: leerlingen. Deze die behoren tot een culturele minderheid en waarvan de ouders een laag opleidings- en beroepsniveau hebben. Het betreft hier voornamelijk de groepen niet-westerse allochtone leerlingen. In hoofdstuk 1 is aangegeven, dat meer dan 70% van deze groep bestaat uit Surinamers / Antillianen, Turken en Marokkanen.

Reeds tijdens de basisonderwijsperiode laten de cijfers zien dat er een grote groep achterstandsleerlingen bestaat. Het basisonderwijs legt het fundament voor een verdere studieloopbaan. De volgende stap na het afronden van het basisonderwijs is het voortgezet onderwijs.

 

 

2.3 Positie niet-westerse allochtonen - voortgezet onderwijs

 

Uiteindelijk hebben in het schooljaar 2000/2001, in Nederland 157 duizend jongeren examen gedaan in het voortgezet onderwijs. Uit cijfermateriaal van het CBS[9] blijkt heel duidelijk dat niet-westerse allochtone leerlingen oververtegenwoordigd zijn in de lagere opleidingsniveaus ten opzichte van de autochtone leerlingen. En in hogere opleidingsniveaus ondervertegenwoordigt zijn. Dit in tegenstelling tot de autochtone leerling die over het algemeen gelijk verdeeld over de diverse opleidingsniveaus. Niet-westerse, dus allochtone basisonderwijsleerlingen stromen dus vaker door naar een VBO of MAVO opleiding dan autochtone leerlingen. En minder vaak door naar een HAVO of VWO opleiding dan hun autochtone mede leerlingen.

Ten aanzien van de ondervertegenwoordiging in hogere en oververtegenwoordiging in lagere schooltypes, is wel een positieve verschuiving te constateren. De volgende tabel laat dit zien.

 

·          VBO:              Het aandeel van niet-westerse allochtone examenkandidaten is hier

procentueel afgenomen.

·          MAVO:          Het procentuele aandeel van niet-westerse allochtone examenkandidaten is

gestegen.

·          HAVO:           Het procentuele aandeel van niet-westerse allochtone examenkandidaten is

afgenomen.

·          VWO:            Het procentuele aandeel van niet-westerse allochtone examenkandidaten is

een mimimaal gestegen.

 


Het doel van het voortgezet onderwijs is het behalen van een diploma, om al dan niet verder te stromen naar een vervolgopleiding. Maar voordat men kan doorstromen naar een vervolgopleiding, zal men toch eerst moeten slagen. De slagingspercentages geven aan hoeveel leerlingen uiteindelijk dan ook het felbegeerde papiertje behalen. Ten aanzien van deze slagingspercentages zijn een aantal verschillen tussen niet-westerse allochtonen en autochtonen te constateren.

Het is namelijk zo dat Autochtone examenkandidaten een hoger slagingspercentage kennen, dan examenkandidaten van niet-westerse komaf. Daarnaast worden de verschillen in slagingspercentages groter, naarmate het examenniveau (VBO, MAVO, HAVO, en VWO) toeneemt.

Opmerkelijke verschillen zijn er niet alleen te constateren tussen de niet-westerse allochtone leerlingen ten opzichte van de autochtone, maar ook tussen de groep niet-westerse allochtonen onderling. Waar de Antilliaanse en  Arubaanse leerlingen de hoogste slagingspercentages over alle opleidingsniveaus hebben, hebben Turkse leerlingen gemiddeld genomen de laagste slagingspercentages.  Marokkaanse eindexamenkandidaten doen het ook relatief goed ten opzichte van hun mede niet-westerse allochtone mede eindexamenkandidaten op de HAVO en het VWO. Dit geldt niet voor slagingspercentages op het VBO en de MAVO. Hier scoren de overige niet-westerse allochtonen beter dan Marokkanen. Binnen de groep van allochtonen van niet-westerse komaf hebben Turken over het algemeen de laagste slagingspercentages binnen het voortgezet onderwijs.  

 

 

2.4 Vroegtijdig afhaken leerlingen voortgezet onderwijs

 

Het grootste gros van het aantal leerlingen weet uiteindelijk te slagen voor de middelbare school. Echter, is het heden ten dage nog altijd zo, dat een deel van de leerlingen in het voortgezet onderwijs vroegtijdig afhaakt. Dit houdt in dat een groot aantal leerlingen zonder diploma de arbeidsmarkt betreedt. Veelal komen deze uitvallers zodoende uiteindelijk in de laagste looncategorieën terecht, waar ongeschoold werk wordt verricht.

Het uitval percentage onder allochtonen van niet-westerse komaf is 3x zo hoog, dan dat van autochtonen. Met uitval wordt bedoeld, het zonder diploma verlaten van de school. 20% uitval ten aanzien van 7% onder de autochtone bevolking. Het is zelf zo dat bijna de helft van de niet-westerse allochtonen de school verlaat zonder startkwalificatie.

Uit onderzoek dat het CBS heeft verricht ten aanzien van de uitval en vroegtijdig schoolverlaten van niet-westerse allochtone leerlingen, is het volgende naar voren gekomen. Over het algemeen geldt: Hoe hoger de opleiding hoe minder kans op uitval of voortijdig schoolverlaten. Dit geldt zowel voor de autochtone bevolking, als wel voor de niet westerse allochtone bevolking. Wel moet worden opgemerkt, dat de kans tot uitval of voortijdig schoolverlaten bij niet-westerse allochtonen ten opzichte van autochtonen relatief minder sterk afneemt, naarmate het opleidingsniveau van de ouders toeneemt. Dit is vooral het geval onder schoolverlaters van Turkse afkomst. Met andere woorden: Een hoger opleidingsniveau van niet-westerse allochtone ouders heeft minder invloed op het kans tot uitval of vroegtijdig schoolverlaten, dan bij autochtone ouders met een hoge opleiding.

Het percentage van allochtonen van niet-westerse afkomst dat de school voortijdig verlaat is 2x hoog, dan onder autochtonen. Onder voortijdig schoolverlaten wordt verstaan het niet afronden van een vervolgopleiding zoals MBO. Van alle autochtone scholieren verlaat iets meer dan een kwart het onderwijs voortijdig. Dit is aanzienlijk lager dan het voortijdig schoolverlaten onder niet-westerse allochtonen (45%). De helft van de Antilliaanse en Surinaamse en ook van de Marokkaanse en Turkse kinderen gaat van school zonder startkwalificatie

 

Wordt er gekeken naar het onderscheid tussen jongens en meisjes, dan is te constateren, dat zowel niet-westerse allochtone als bij autochtone leerlingen, jongens de school vaker vroegtijdig verlaten dan meisjes. Onder Marokkaanse jongens is het uitval percentage het groots van de groep niet westerse allochtonen. Onder Marokkaanse meisjes is deze veel kleiner. Echter, zowel niet-westers allochtone jongens als meisjes verlaten vaker de school vroegtijdig en zonder diploma dan autochtone jongens en meisjes. Niet westerse allochtone jongens hebben een bijna drie maal zo hoog uitval percentage als autochtonen jongens. Voor meisjes is dit twee maal zo hoog. De tegenstellingen tussen jongens en meisjes zijn het grootst bij schoolverlaters van Marokkaanse afkomst. Zowel ten opzichte van autochtonen als wel niet-westerse allochtonen.

 

2.4.1 Slagingspercentages

Wordt het voortgezet onderwijs toch met succes afgerond, dan kan er worden gesteld dat niet-westerse scholieren minder vaak voor hun examens slagen dan autochtone scholieren. Daarnaast ligt het slagingspercentage van niet-westerse scholieren in grote steden lager, dan dat van de niet-westerse scholieren in de rest van ons land. Dit verschil in slagingspercentages komt bij autochtone scholieren niet voor.

 

2.4.2 Doorstroom

Na het succesvol afronden van het voortgezet onderwijs stromen veel leerlingen door naar een vervolgopleiding. Van de niet-westerse allochtonen die in 2000 / 2001[10] eindexamen deden in het voortgezet onderwijs, kwam later ruim de helft van de niet-westers allochtone examenkandidaten in de beroepsopleidende leerweg (bol) terecht. Bij autochtonen was dit ongeveer een derde. Slechts een klein deel van de niet-westers allochtone examenkandidaten stroomde door naar het HBO en WO. Dit komt doordat er weinig van hen HAVO of VWO-examen deden en ook doordat het slagingspercentage wat achterbleef bij autochtonen. Elf procent kwam in het HBO terecht en zes procent in het WO. Voor autochtonen lagen deze percentages op 19% respectievelijk 11%.  Het doorstoompercentage van niet-westerse allochtonen is hierdoor beduidend hoger dan bij autochtonen. Hebben niet-westerse allochtonen echter een HAVO- of VWO-diploma, dan stroomt een groter deel door naar vervolgonderwijs dan bij de autochtonen. Bovendien kiezen ze dan voor een hoger schoolniveau dan autochtonen. Van de geslaagde autochtone HAVO-leerlingen ging 75% naar het HBO, 6% naar de bol en 3% naar het VWO. Bij de niet-westerse allochtonen was de doorstroom naar het HBO aanzienlijk hoger, namelijk 81%. Vooral Turkse jongeren gingen met 86% relatief vaak naar het HBO. Tevens ligt het doorstoompercentage onder niet-westerse allochtonen van VWO naar WO, boven dat van de autochtone leerlingen. Van de geslaagde VWO-leerlingen ging 63% van de autochtonen naar het WO en 20% naar het HBO, terwijl van de niet-westerse allochtonen ruim driekwart de keuze liet vallen op het WO en nog eens 11% op het HBO.

 

 

2.5 Hoe ziet de positie van niet-westerse allochtonen in het buitenland eruit?

 

Om een goed beeld te kunnen krijgen, of de onderwijsachterstandspositie van niet-westerse allochtonen in Nederland een probleem specifiek voor Nederland is, is het noodzakelijk om de onderwijspositie van allochtonen in het buitenland te bekijken. De landen Denemarken, Duitsland en Frankrijk zijn als vergelijkingslanden genomen[11]. Wanneer er een internationale vergelijking gedaan wordt blijkt, dat de onderwijspositie van niet-westerse allochtonen in Nederland overeenkomt met die in het buitenland. Het komt er op neer, dat er in al deze landen de positie van niet-westerse allochtonen zwakker is dan die van autochtonen. Net zoals in Nederland verloopt hun schoolloopbaan minder gunstig dan bij autochtonen. Dit valt af te leiden uit een ondervertegenwoordiging in het hogere onderijs en een oververtegenwoordiging in het lager onderwijs, lagere scores op de nationale examens, de langere studieduur, een lager aantal verkregen diplomas, een hoger aandeel in de schooluitval, een hogere doorverwijzing naar het speciaal onderwijs. Opvallend is wel, dat er in het buitenland ook groepen (niet-westerse) allochtonen aanwezig zijn, die de cijfers van de autochtonen overtreffen. Met andere woorden dat deze allochtonen beter scoren dan autochtonen. Daarbij dient wel opgemerkt te worden, dat deze scores te maken hebben met het verschil met de Nederlandse situatie. Deze is immers gedeeltelijk te verklaren met oog op de veelal ruimere definities voor het begrip allochtonen die in het buitenland gehanteerd wordt. De belangrijkste verklaringen voor de grotere problemen en de onderwijsachterstandspositie van (niet-westerse) allochtonen worden in het buitenland toegeschreven aan een lage sociaal-economische status, het spreken van de moedertaal thuis, verschillen in motivatie om te integreren, en de ondersteuning van de onderwijsinstellingen.

 

 

 


H.3 Analyse feitelijke positie niet-westerse allochtonen en autochtonen binnen het onderwijs

 

 

3.1 Inleiding

 

In dit hoofdstuk wordt de bestuurlijke en maatschappelijke relevantie, met oog op de analyse van achtergestelde positie van de niet-westerse allochtonen ten opzichte van autochtonen aan het licht gebracht. Het doel hiervan is inzicht verschaffen in de mate van betrokkenheid van de overheid (beleidsmaker), de burgers en de groepering niet-westerse allochtonen met oog op de posities van niet-westerse allochtonen binnen het onderwijs. Vervolgens zullen de oorzaken (sociale en maatschappelijke verschillen, etc.) van de achtergestelde positie van de niet-westerse allochtonen ten aanzien van autochtonen in kaart worden gebracht. De vraag Hoe laat zich de veronderstelde achterstandspositie van niet-westerse allochtonen ten opzichte van autochtonen binnen het onderwijs verklaren? wordt in dit hoofdstuk beantwoord.

 

 

3.2 Bestuurlijke relevantie

 

Welke rol speelt het openbaar bestuur (de overheid) nu bij de problematiek, waarbij de niet-westerse allochtonen een achtergestelde positie binnen het onderwijs, ten opzichte van autochtonen innemen? Onze huidige Minister-president Balkenende durfde in de voorlaatste verkiezingen al te stellen, dat van de integratie van niet-westerse allochtonen tot nu toe nog te weinig van de grond is gekomen en dat de multiculturele samenleving een utopie is gebleken. Met name wat de arbeidsparticipatie van deze niet-westerse allochtonen betreft hebben zij te maken met een sterke achterstand ten opzichte van autochtonen.[12] Het opleidingsniveau, de positie binnen het onderwijs en de situatie van de niet-westerse allochtonen, zijn uiteindelijk bepalende kenmerken van de positie van de niet-westerse allochtone schoolverlaters in de Nederlandse samenleving en dus op de arbeidsmarkt.

Om de geconstateerde achterstand binnen het onderwijs van de niet-westerse allochtonen te kunnen tegengaan en te beperken heeft de overheid reeds een aantal belangrijke beleidsmaatregelen ingesteld. Dit achterstandenbeleid met betrekking tot onderwijs bestaat uit vijf beleidsmaatregelen: het Onderwijskansen- beleid (OK), het Onderwijs in Allochtone Talen (OALT), het Voor- en Vroegschoolse Educatie (VVE), en het Gemeentelijk Onderwijsachterstandenbeleid (GOA). Hieruit blijkt dat de overheid één van de belangrijkste actoren is binnen de problematiek niet-westerse allochtonen in het onderwijs.

 

- Huidige situatie -

De aanpak van onderwijsachterstanden zoals deze in de voorgaande paragrafen is geconstateerd kreeg van 1986 tot 1998 gestalte via het Onderwijsvoorrangsbeleid. Binnen dit beleid werd samenwerking tussen onderwijs en welzijnsinstellingen gezien, als belangrijke voorwaarde om problemen van leerlingen in achterstandssituaties aan te pakken. Tot 1993 was de besteding van middelen die de scholen ontvingen bedoelt ter beoordeling van de onderwijsinstellingen. Na 1993 moesten gebiedsplannen worden opgesteld die dienden te passen binnen het Landelijk Beleidskader om voor bekostiging in aanmerking te komen. Hiermee werd beoogd dat de belangrijke kernactiviteiten door de onderwijsinstellingen werden uitgevoerd. De inspanningen in het kader van het Onderwijsachterstandenbeleid van de overheid hebben zo blijkt uit de analyse in de voorgaande paragraaf, niet tot voldoende resultaten geleid. Een belangrijke reden daarvoor wordt gezien in de vrijheid van inzet van middelen door deze onderwijsinstellingen. Veel van de extra middelen die aan scholen werden toegekend, werd niet ingezet voor een gerichte begeleiding van leerlingen, maar veelal voor een algemene klassenverkleining[13].

 

 


3.3 Maatschappelijke relevantie

 

Met de maatschappelijke relevantie wordt gedoeld op de belangen van de burgers en de groepering niet-westerse allochtonen binnen dit onderzoek. Met andere woorden; in hoeverre zijn de burgers en de niet-westerse allochtonen betrokken bij het onderzoek naar de knelpunten en oorzaken van de achtergestelde positie van niet-westerse allochtonen binnen het onderwijs?

Aangezien burgers in Nederland vaak geconfronteerd worden, met een veelal slecht werkend integratiebeleid van etnische minderheden, positieve discriminatie binnen het onderwijs en op de arbeidsmarkt, een taalachterstand bij niet-westerse allochtonen, veel werklozen onder allochtonen en hoge criminaliteitscijfers, is er vanuit dit oogpunt sprake van betrokkenheid  en belangen onder de burgers ten aanzien van de problematiek van niet-westerse allochtonen binnen het onderwijs. Ook de groep niet-westerse allochtonen hebben hun eigen visie op het onderwijs en de bijkomende problematiek. Door sociale en maatschappelijke verschillen tussen niet-westerse allochtonen en autochtonen kijkt ieder op hun eigen manier naar het de gewenste situatie en het hierop richtende overheidsbeleid.

 

 

3.4 Mogelijke Oorzaken; achterstandspositie niet-westerse allochtonen.

 

Uit voorgaande paragraven en uit de analyse is naar voren gekomen dat er sprake is van een achterstandspositie van niet-westerse allochtonen ten aanzien van autochtonen binnen het onderwijs. Deze constatering heeft een oorsprong die veelal te vinden in een samenloop van omstandigheden waarmee de niet-westerse allochtonen te maken hebben. De vraag die binnen deze paragraaf daarom ook gesteld wordt is: Welke aspecten en factoren veroorzaken de geconstateerde achtergestelde positie van niet-westerse allochtonen ten aanzien van autochtonen binnen het onderwijs?

 

3.4.1 Historie niet-westerse allochtonen

De positie van de niet-westerse allochtonen binnen het onderwijs, maar uiteindelijk ook op de arbeidsmarkt  heeft verschillende oorzaken. Vooralsnog is gebleken, dat de maatschappelijke verschillen te vinden zijn in het land van afkomst van de betreffende allochtonen. De historie van deze landen spelen hierin een grote rol.

Turken en Marokkanen worden vaak als één groep allochtonen gezien en opgemerkt. Toch bestaat er grote verschillen tussen beide landen. Alleen al vanuit historisch perspectief kennen beide groepen grote verschillen. De Marokkaanse allochtonen hebben van 1912 tot 1956 te maken met onderdrukking. Marokko was destijds een kolonie van het grote land Frankrijk, en tot op heden is het land nog steeds bezig zichzelf te ontwikkelen tot een nationale eenheid.

Turkije daarentegen heeft nooit een dergelijke onderdrukking gekend. Turkije is heel lang het centrum van het Osmaanse Rijk en is vervolgens in de jaren daarop een zelfstandig land geworden.[14]

Dit verschil in historische achtergrond heeft vanzelf sprekend invloed op de wijze waarop mensen afkomstig (indirect) uit deze landen denken en handelen.

 

3.4.2 (Politieke) situatie land van herkomst

De politiek situatie op de Nederlandse Antillen en Aruba verschillen niet dermate, dat er gesproken mag worden van groot politiek verschil met dat van Nederland zoals bij Marokko en Turkije wel het geval is. Dit is te wijten aan het feit dat beide landsdelen koloniën zijn of waren van Nederland. Zowel de Nederlandse Antillen als wel Suriname hebben de maken met een hoge werkeloosheid.

Binnen Turkije en Marokko is er sprake van een tweedeling in de opvoeding van de Turkse en Marokkaanse kinderen. Deze manier van opvoeding verschilt nogal van die van de Nederlandse. Turkse en Marokkaanse gezinnen (ouders) voeden hun kinderen thuis streng en vaak gelovig op. De overheden in deze twee landen dragen vervolgens de verantwoordelijkheid over deze kinderen, wanneer zij zich in de maatschappij (op school en op straat,  etc.) begeven. Wanneer deze niet-westerse allochtonen in de Nederlandse maatschappij gaan leven, ontstaan de eerste complicaties. De Nederlandse politiek en haar ondersteunde / uitvoerende politiebestel is erop ingesteld, dat de verantwoordelijkheid over de autochtone- en allochtone kinderen grotendeels in handen blijft van de ouders. Deze constatering blijkt nog eens bevestigd te worden door een artikel Leraar moet meer opvoeden uit de Tubantia van woensdag 19 maart 2003. Hierin wordt aangegeven, dat leraren meer verantwoording dienen te krijgen ten aanzien van de opvoeding van de scholieren.

De Turkse en Marokkaanse ouders leven nog met een sociale identiteit uit het land van herkomst. Dit betekent dus, dat verantwoordheid over de kinderen buitenshuis onder de verantwoordelijkheden van de overheid valt. De Nederlandse overheid (politiebestel, onderwijs, etc.) is hier niet op ingesteld, met als gevolg dat deze kinderen vaak een deel van hun wezenlijke opvoeding missen.

In tegenstelling tot de Nederlandse Antillen, Aruba en Turkije is Marokko een land dat de emigranten in Nederland (Marokkaanse allochtonen) niet toestaat hun nationaliteit te wijzigen in een Nederlandse. Het houden van een politieke band met deze emigranten zorgt ervoor dat deze Marokkaanse allochtonen in Nederland zich als gasten gaan gedragen en zich vervolgen niet mengen in de Nederlandse samenleving. Het doel van de Marokkaanse overheid daarbij is, dat deze emigranten in de toekomst weer naar het land van herkomst zullen (moeten) gaan trekken.

Zoals veelal door de overheid in de jaren 90 is geconstateerd, werd de sterke band met het vaderland door veel niet-westerse allochtonen (veelal Turken en Marokkanen) nog eens extra bevestigd door het feit dat de mannen (arbeiders) regelmatig hun verdiensten (loon of soms zelfs uitkeringen) overmaakten naar achtergebleven familieleden in het land van herkomst.

 

3.4.3 Nederlandse Taal en taal - land van herkomst

De beheersing van de Nederlandse taal wordt sinds de laatste jaren als één van de belangrijkste leerpunten van een inburgeringcursus aangemerkt. Het beheersen van de Nederlandse taal is een noodzakelijk pre, om goed te kunnen functioneren binnen de Nederlandse samenleving.

Niet honderd- tot driehonderdduizend, maar 464.000 allochtonen hebben een ernstige taalachterstand.[15] De geconstateerde achterstandspositie in zowel het onderwijs als op de arbeidsmarkt kan in verband worden gelegd met de beperkte Nederlandse taalbeheersing door de niet-westerse allochtonen. Veel langdurig gevestigde niet-westerse allochtonen hebben in de dagelijkse praktijk nog grote moeite met het spreken van de Nederlandse taal. Indien de ouders het Nederlands niet of gebrekkig beheersen, betekent dit, dat een der voorwaarden om betrokken te zijn bij het schoolleven van de kinderen, afwezig is.[16] Verder is het zo, dat het gedrag (vooropleiding zie H2) van deze ouders van invloed is op de schoolprestaties van hun kinderen. Naarmate de ouders in meerdere mate tweetalig zijn en behalve met het eigen milieu ook met de autochtone bevolking van het immigratieland (Nederland) contacten onderhouden, doen hun kinderen het beter op school.

Het probleem volgens voormalig Minister Van Boxtel (Integratiebeleid) ligt in het feit, dat de overheid onmogelijk aan 464.000 mensen à raison van tienduizend gulden taalles kan geven. Gebleken is echter dat ook allochtone kinderen die hier zijn geboren, en wier eerste taal het Nederlands is, die maar gebrekkig leren. Dat komt doordat ze thuis niet het goede voorbeeld krijgen. Uit bovenstaande blijkt dat er nogal wat schort aan de kwaliteit van het onderwijs. Er zijn immers anderstaligen die zeshonderd uur Nederlands hebben gehad, maar de Nederlandse taal toch niet voldoende spreken. Docenten zijn vaak ook niet goed opgeleid om effectief aan allochtonen les te kunnen geven. Overigens is het onderwijs niet voldoende aangepast aan de niet-westerse allochtoon. Er is te weinig differentiatie. De één leert het Nederlands nu eenmaal gemakkelijker dan de ander. De problematiek ligt volgens Van Boxtel binnen de vraag of een niet-westerse allochtoon alleen Nederlands dient te leren? Of kan het leren van taal ook worden verpakt in lessen geschiedenis en aardrijkskunde.

 Ook voor de niet-westerse allochtone arbeiders op de arbeidsmarkt vormt de gebrekkige beheersing van de Nederlandse taal een groot probleem die vervolgens voor een achterstandspositie ten aanzien van autochtone arbeiders zorgt.

 

3.4.4  Sociale omgeving (cultuur en milieu)

Tegenwoordig wordt door de overheid steeds meer aandacht geschonken aan het sociaal economisch milieu, waartoe de niet-westerse allochtonen behoren. Deze aandacht zou als correct aangemerkt mogen worden. Immers van autochtone scholieren is reeds eerder gebleken dat factoren als beroep en opleiding der ouders, hun houding jegens onderwijs, de woonsituatie en dergelijke, gezien mogen worden als factoren die van zeer groot belang zijn voor het cognitief ontwikkelingsniveau van de niet-westerse allochtone leerlingen en daardoor de reeds eerder genoemd schoolprestaties.[17]

De geanalyseerde populatie laat een groep niet-westerse allochtonen in Nederland zien die een lage economische status hebben. Het zal onderhand wel duidelijk zijn dat er tussen niet-westerse allochtonen en autochtonen die tot een dergelijk milieu behoren, niettemin van grote (maatschappelijke en sociale) verschillen sprake is. Deze verschillen hangen veelal samen met de migratistatus , die de niet-westerse allochtonen ontvangen(taalproblemen, onwennigheid in Nederland, en gebrekkig onderwijs in het land van herkomst). Daarnaast ten dele met hun culturele achtergrond. Enkele belangrijke verschillen tussen autochtone- en niet-westerse allochtone milieus.

 

·         Veelal een lagere economische status

·         De gebrekkige beheersing van het Nederlands;

·         Een mogelijke achteruitgang van de eigen taal (van het land van afkomst);

·         Een gebrekkige of in het geheel geen opleiding;

·         Een afstotende ofwel ambivalente houding tegen het onderwijs in Nederland;

·         Onzekerheid over de lengte van het verblijf in Nederland;

·         Andere cultuurpatronen.

Ook de contacten met de buitenwereld (de maatschappij; buren, etc.) is vaak een probleem voor de niet-westerse allochtonen. De sociale netwerken van de niet-westerse allochtonen in Nederland beperkt zich vaak onder andere door taalachterstand tot personen uit hun eigen leefomgeving (familie, vrienden, etc.), dus ook van niet-westerse afkomst. Er worden vaak allochtonenorganisaties opgericht waar de niet-westerse allochtonen vervolgens samenkomen. Deze opmerkelijke verschillen met autochtonen worden vaak bij Marokkanen en Turken opgemerkt.

Het gezin staat bij het leggen van contacten en het integreren in de Nederlandse samenleving centraal. Bij niet-westerse allochtonen was vaak sprake van gezinshereniging. De gezinshereniging van voornamelijk de Marokkanen kwam later op gang, dan bij de overige niet-westerse allochtonen. Dit had zijn oorsprong in het feit dat de Marokkanen door de seizoenmigratie vaak langer zonder de vrouwen in Nederland verbleven. Wanneer de partners in Nederland kwamen, was er veelal sprake van een gezins(cultuur)verandering, waarbij vooral de partners weer aan elkaar moesten wennen. Daarnaast werden kinderen weer onder streng toeziend oog van de vader en de moeder geplaatst, waarbij vaak maar één van de partners deels was geïntegreerd in de Nederlandse samenleving en op de hoogte was van het Nederlandse onderwijs.

Gezinsvorming door trouwen van een partner uit het buitenland was en is een volgend knelpunt voor een snelle en probleemloze integratie binnen het onderwijs en de samenleving. Veelal werd (en nogsteeds) een streng islamitische partner die graag om economische reden naar Nederland wilde komen uit het buitenland gehaald. Een veelkomend probleem dat daarbij ontstond, had zijn oorsprong in het feit dat die partner nogal maatschappelijke verschilde van andere partner. Cultuur en geloof zorgden nogal voor problemen binnen het gezin, op de opvattingen die er binnen het gezin aanwezig waren. Zoals ook over maatschappelijke en onderwijskundige zaken. Veel autochtonen merken op dat er achtergestelde boerinnen van het platteland worden geplukt en naar Nederland worden gehaald (veelal uit Turkije).

Verschillen in cultuur zijn tevens één van de oorzaken zijn waarom de niet-westerse allochtonen een achtergestelde positie binnen het onderwijs hebben ingenomen. Door de komst van niet-westerse allochtonen in het Nederlandse onderwijs kwamen er meer religies en culturen waarmee een ieder te maken kreeg. De niet-westerse allochtonen werden vanzelfsprekend continu met het Nederlandse onderwijs geconfronteerd, terwijl zij voornamelijk uit een andere opvoedingssituatie komen dan autochtonen. Niet-wersterse allochtonen worden vaker door hun ouders gestimuleerd om te gaan werken (eerder geld is eerder luxe en dus eerder aanzien) dan om te gaan studeren. Daarnaast is er binnen niet-westerse allochtone families vaak sprake van sterk gezag voor de ouders waarbij geen tegenspraak gewenst is en de ouders het laatste woord hebben.

Vrouwen worden veelal door de niet-westerse allochtone mannen klein gehouden. Emancipatie van de vrouwen wordt veelal beperkt. Immers de vrouwen mogen niet snel aan het werk, dit is de taak van de man. Opmerkelijk is wel dat niet-westerse allochtone vrouwelijk leerlingen een lager uitval percentage kennen dan de mannen. Toch blijft de redenering staan. Het gaat immers om de achterstandspositie in het onderwijs ten opzichte van autochtone leerlingen.

Het gezin staat veelal centraal bij het motiveren van de kinderen ten aanzien van het onderwijs en hun prestaties. De niet-westerse allochtone ouders zijn veelal door taalachterstand of door gebrek aan onderwijscontacten niet goed, of soms zelfs zeer beperkt op de hoogte van de onderwijssituatie en het onderwijsproces van hun kinderen. Deze ouders kunnen vaak geen Nederlands gesprek voeren met de betreffende leerkrachten, zodat hun eigen kinderen (vaak toch al met een achterstand) als tolk moeten dienen. 

 

3.4.5 Voorschoolse leermomenten

Veel achterstand binnen het onderwijs is al ontstaan voor de start van het basisonderwijs. Veel autochtone kinderen hebben voordat ze de leeftijd van 4 jaar hebben bereikt, al te maken gehad met zogenoemde leermomenten. Deze leermomenten werden opgedaan tijdens de kinderopvang of op de peuterschool. In deze periode beginnen kinderen zich al reeds te ontwikkelen en maken zij zich bijvoorbeeld de Nederlandse taal eigen. Ook worden autochtone kinderen reeds voor hun start op de basisschool met de Nederlandse taal geconfronteerd in huishoudelijke kringen.

Niet-westerse allochtone ouders sturen hun kinderen in de meeste gevallen niet naar peuterscholen of kinderopvanghuizen. Zij zijn veelal van mening dat het kind thuis kan blijven tot hun vierde verjaardag, immers het leren door hun kinderen is een verantwoordelijkheid van de Nederlandse staat. Binnen het niet-westerse allochtone gezin wordt veelal nog niet de Nederlandse taal gesproken, immers vele niet-westerse allochtone ouders hebben een taalachterstand.

Deze fase (periode tot de vierde verjaardag van het kind) speelt al een grote rol in de ontwikkeling van een kind. Binnen de niet-westerse allochtone gezin wordt eigenlijk al een begin gemaakt met de achterstandspositie van deze niet-westerse allochtone kinderen. Dit heeft ogenschijnlijk weer nadelige consequenties voor de prestaties binnen het onderwijs.

 

3.4.6 Onderwijs en leerkrachten

Vooralsnog is uit onderzoeken van het CBS gebleken dat er verschillen tussen scholen voor primair onderwijs zijn. Toch is het algemene beeld is dat de kwaliteit van basisscholen ten opzichte van vorig jaar vooruit is gegaan, afgemeten aan de door de inspectie gehanteerde standaarden. Toch bestaat ook het beeld dat er naast verschillen tussen categorieën van scholen, vooral verschillen in kwaliteit van afzonderlijke scholen bestaan. Met andere woorden de oorzaak van de achterstandspositie van niet-westerse allochtonen heeft ook een oorsprong in het beleid van de onderwijsinstellingen. Immers er zijn scholen die het goed doen; ook scholen met een problematische leerlingpopulatie (waaronder de groep niet-westerse allochtonen). Het zijn met name de scholen die onder een aanvaardbaar minimum presteren die de aandacht nodig hebben. Op deze scholen krijgen leerlingen en voornamelijk de niet-westerse allochtonen niet de kansen waar ze recht op hebben. Het gaat dus om die scholen waar de prestaties (zoals in de voorgaande paragrafen aan bod is gekomen) van de niet-westerse allochtone leerlingen zich gedurende langere tijd beneden het niveau bevinden, dat op grond van de leerlingenpopulatie van de school zou mogen worden verwacht, of omdat het onderwijsleerproces er op basale aspecten tekortschiet.

Uit het voorgaande blijkt dan ook, dat het uitmaakt op welke school de niet-westerse allochtone leerling zit. Niet-westerse allochtone Leerlingen in een achterstandspositie doen het beter op scholen met een lage concentratie achterstandsleerlingen.

Ook de kwaliteit van het onderwijsleerproces op sommige scholen blijft op belangrijke aspecten achter op de kwaliteit van het onderwijs op andere scholen. Opvallend is, dat op scholen met veel niet-westerse allochtonen met een onderwijsachterstandpositie ten aanzien van autochtonen veel leraren tijdens de instructie minder rekening houden met niveauverschillen tussen niet-westerse allochtone en autochtone leerlingen, dan leraren op andere scholen het doen. Zorgelijk is ook dat een kwart van deze scholen grote problemen heeft, met het aanbieden van de leerstof voor de kernvakken. Aan een belangrijke voorwaarde voor het behalen van leerprestaties wordt daarmee niet voldaan. De slechte invulling van de kernvakken heeft nadelige gevolgen voor de prestaties en de onderwijspositie van de niet-westerse allochtonen.

Ten aanzien van de leerkrachten mag geconstateerd worden, dat de extra hulp die op het gebied van leerstof en instructie nodig wordt geacht voor het bevorderen van de prestaties van niet-westerse allochtone leerlingen in een achterstandspositie, niet voldoende wordt geboden op veel scholen in de grote steden en op scholen met een hoge concentratie niet-westerse allochtonen met een onderwijsachterstand. Gedeeltelijk is dit namelijk toe te schrijven aan de problemen die veel van onderwijsinstellingen hebben met het op peil houden van het aantal leerkrachten.

Ten aanzien van het beleid dat door de onderwijsinstellingen wordt uitgevoerd kan opgemerkt worden dat in tegenstelling tot het doel van het onderwijsachterstandenbeleid (overheidsbeleid) veel financiële middelen ingezet werden voor veelal een algemene klassenverkleining in plaats van deze beschikbaar gestelde financiële middelen in te zetten voor een gerichte begeleiding van (niet-westerse allochtone leerlingen).

 

3.4.7 Uitval met laag opgeleide ouders

Over het algemeen mag gesteld worden, dat hoe hoger de opleiding van de niet-westerse allochtone leerlingen is, hoe minder kans op uitval of voortijdig schoolverlaten van deze leerlingen aanwezig is. Dit geldt natuurlijk zowel voor de autochtone bevolking als wel voor de niet westerse allochtone bevolking in Nederland. Wel moet daarbij volgens ons worden opgemerkt dat deze kans tot uitval of voortijdig schoolverlaten bij niet-westerse allochtonen ten opzichte van autochtonen relatief minder sterk afneemt naarmate het opleidingsniveau van de niet-westerse allochtone ouders toeneemt. In hoofdstuk 2 blijkt dat dit vooral geldt onder de groep schoolverlaters van Turkse afkomst. Binnen de Turkse gezinnen is er nog vaak sprake van taalachterstand bij de ouders, wat weer zijn (nadelige) invloed heeft op hun kinderen. Tevens zou het vaak zo kunnen zijn, dat laag opgeleide ouders van niet-westerse allochtone afkomst hun kinderen niet goed kunnen motiveren en ondersteunen ten aanzien van onderwijs, immers door hun taalachterstand of door het gebrek aan onderwijscontacten is men niet goed of soms zeer beperkt op de hoogte van de onderwijssituatie en het onderwijsproces van hun kinderen. Deze kinderen komen dan vaker in een nog grotere onderwijsachterstandspositie terecht, waardoor de kans op uitval of vroegtijdig schoolverlaten wordt vergroot.

 


H.4 Maatschappelijke effecten en gevolgen onderwijsachterstand

 

 

4.1 Inleiding

 

Dit hoofdstuk zal voorborduren op de hoofdstukken 2 en 3. Waar in hoofdstuk 2 de feitelijke positie van niet-westerse allochtonen in het onderwijs is gegeven en in hoofdstuk 3 een analyse van de oorzaken hierop, zal ik dit hoofdstuk de effecten en gevolgen van maatschappelijke verschillen in het onderwijs worden gegeven.

Op elke actie volgt een reactie. Wanneer tijdens een autorace, twee autos het tegen elkander opnemen. Waarvan de een met een 594 cc motor (Trabant) en de andere auto met een 1300cc motor (Hyundai), dan kan er gesteld worden dat er een verschil aanwezig is in motorinhoud. Het mag duidelijk zijn dat in deze race de Hyundai als eerste de eindstreep zal passeren. De overwinning staat hier voor het effect van het verschil in motorinhoud. De oorzaak ligt in dit geval in het verschil aan aanwezig pks. Deze vaste natuurkundige wet is ook van toepassing op verschillen tussen autochtonen en niet-westerse allochtonen in het onderwijs zoals beschreven staat in H2.

 

4.2.De achterstandspositie van niet-westerse allochtonen op de arbeidsmarkt

De visie zoals beschreven staat in H1 inleiding, gaat ervan uit, dat vooropleiding de belangrijkste factor is voor het verwerven van een gedegen plek op de arbeidsmarkt. In Nederland is onderwijs zelfs zo belangrijk dat iemands sociale positie / status  grotendeels kan worden vastgesteld aan de hand van het bereikte opleidingsniveau. De sociale positie is direct afhankelijk van de positie op de arbeidsmarkt. De onderwijsachterstand van niet-westerse allochtonen heeft tot gevolg, dat deze allochtonen tevens een achterstand hebben op de arbeidsmarkt ten opzichte van autochtonen:

Niet-westerse allochtonen behoren minder vaak tot de werkzame beroepsbevolking dan westerse allochtonen en autochtonen. De arbeidsparticipatie onder autochtonen is groter dan die van de niet-westerse allochtoon. 80% van de mannelijke autochtone beroepsbevolking had een betaalde baan in het jaar 2001. Voor de vrouwen lag dit percentage op 55. Voor niet westerse allochtone mannen en vrouwen lagen deze op 60% respectievelijk 40%. De arbeidsparticipatie van niet westerse allochtone mannen en vrouwen lagen dus 20% respectievelijk 15 % beneden dat van de autochtonen.

Vooralsnog zal het duidelijk zijn, dat de geconstateerde achterstandspositie die de niet-westerse allochtonen hebben ten aanzien van autochtonen binnen onderwijs, mogelijk zijn nadelige doorslag heeft in termen van kansen op een vaste baan op de arbeidsmarkt. Dit is een maatschappelijk effect van de achtergestelde positie die deze niet-westerse allochtonen binnen het onderwijs innemen. De achterstand die niet-westerse allochtone scholieren hebben in het onderwijs ten opzichte van autochtone scholieren heeft dus effecten in hun latere carrière op de arbeidsmark, wat mogelijk kan leiden tot stijging van de werkloosheidscijfers en criminaliteitscijfers onder allochtonen.

Doordat een groter percentage allochtonen vroegtijdig de school verlaat en / of gemiddeld genomen een lagere opleiding geniet dan autochtone leerlingen zijn, naar verhouding niet-westerse allochtonen vaak te vinden in banen bij schoonmaakbedrijven en uitzendbureaus. Het behoeft geen uitleg dat dit net de banen zijn met lagere lonen.

 

4.2.1 Werkeloosheidspercentages

De kans op werkeloosheid neemt af naarmate het opleidingsniveau toeneemt. Niet-westerse allochtonen zijn oververtegenwoordigd in de lagere opleidingsniveaus. Het is dan ook niet verwonderlijk dat niet-westerse allochtonen vaker werkeloos zijn dan autochtonen. Niet westerse allochtone schoolverlaters behoren daardoor minder vaak tot de werkzame beroepsbevolking dan autochtone- en westerse allochtone schoolverlaters. Ondanks dat deze verschillen volgens de heer Rosenmöller (1994) in de afgelopen jaren een stuk kleiner zijn geworden, hebben we in Nederland nog steeds te maken met een grote groep niet-westerse allochtonen die niet werkzaam is op de arbeidsmarkt (zie figuur 1 bijlage).

Het werkloosheidspercentage van deze niet-westerse allochtonen laat vervolgens ook in 2001 een aanzienlijk hoger percentage zien dan van autochtonen (zie figuur 2 bijlage). De niet-westerse allochtonen zijn veelal driemaal zo vaak werkloos als autochtonen.[18] Hier tegenover staat de 4% onder autochtonen die werkloos zijn. Marokkanen zijn in 2001 ongeveer drie keer zo vaak werkloos als autochtonen (3%). De Turken, Surinamers, Antillianen en Arubanen zijn ruim twee keer zo vaak werkloos. In 2001 is bij laag-opgeleide personen 11% van de niet-westerse allochtonen werkloos in Nederland.

 

4.2.2 Intergratie niet-westerse allochtonen

Integratie staat sinds de komst van dhr. Fortuijn weer hoog op de politie agenda van Den- Haag. Een politieke aardverschuiving was niet mogelijk geweest, zonder ontevredenheid onder de Nederlandse bevolking ten aanzien van integratievraagstukken. Verhoogde werkeloosheids- en criminaliteitscijfers, onderwijsachterstanden, zijn allemaal onderwerpen die ervoor zorgen, dat een deel van de autochtone bevolking de integratie van allochtonen als mislukt ervaart. Er hoeft alleen maar gedacht te worden aan het bestaan van zogenaamde zwarte scholen. Scholen waar nog maar een autochtone leerling aanwezig is. Met de toename van allochtonen in de klas, zijn ouders geneigd om hun kinderen naar een blanke school te sturen.

De allochtone achterstandsleerlingen hebben aandacht van de leraar nodig om goede resultaten te boeken. De ouders van autochtone leerlingen denken dat dit ten koste gaat van hun eigen kinderen. Dit ongeacht of hun mening op de realiteit is gebaseerd. Het effect hiervan is clustervorming van allochtone kinderen in het onderwijs. Het mag duidelijk zijn, dat hiermee de integratie van allochtonen die voor 70% bestaat uit niet-westerse allochtonen bemoeilijkt wordt.

 

4.2.3 Criminaliteit

In dit rapport is de samenhang tussen vooropleiding, arbeidsmarktpositie en iemands sociale positie uitgelegd. Niet-westerse allochtonen nemen op zojuist genoemde gebieden een achterstandspositie in ten opzichte van autochtonen. Het is dan ook niet verwonderlijk dat deze groep vaker in crimineel gedrag vervalt dan de autochtonen groep. In Nederland werden vorig jaar 200.495 vonnissen uitgesproken. Van de veroordeelden waren 138.146 autochtoon en de rest, 62.349 allochtoon. Verdeeld over de groepen: Marokkanen 12.243, Turken 8.052, Antillianen 7.981, Surinamers 14.824 en de overige groepen allochtonen samen 19.339. Volgens deze cijfers zou ruim 31% van de veroordeelden een allochtone achtergrond hebben. Gaat men deze cijfers doorrekenen naar de groepsgrootte dan blijkt dat Marokkanen 4,9 maal, Turken 2,7 maal, Antillianen 9,4 maal, Surinamers 5,6 maal en de overige allochtonen 1.9 maal zo vaak veroordeeld worden als autochtone Nederlanders.


H.5 Gewenste situatie binnen het onderwijs

 

 

5.1 Inleiding

 

Het is onderhand duidelijk dat de Nederlandse overheid de sociale en economische (achterstands)positie van niet-westerse allochtonen ten opzichte van autochtonen wil verbeteren. Het onderwijsbeleid van de Nederlandse overheid dient als één van de middelen om deze doelstelling na te kunnen streven. Het beleid dient erop gericht te zijn om te kunnen komen tot het verbeteren van de positie en het niveau van deze niet-westerse allochtonen ten aanzien van de onderwijspositie.

Binnen dit hoofdstuk zal de vraag beantwoord worden hoe de gewenste situatie binnen het onderwijs eruit moet zien in de ogen van de overheid, politiek en de niet-westerse allochtonen.

 

Consensus

Het gewenste beleid zou er uiteindelijk voor zou moeten zorgen dat de positie van de niet-westerse allochtonen binnen het onderwijs verbetert. Om deze reden is er een onderscheid gemaakt tussen enerzijds de visies van het overheidsbeleid en de politieke partijen, met betrekking tot de problematiek in het onderwijs en anderzijds de wil van de niet-westerse allochtonen in Nederland, die met het (onderwijs)beleid uiteindelijk te maken krijgen. De consensus tussen de samenleving (de niet-westerse allochtonen) en overheid zal een belangrijke positie kunnen innemen in het uiteindelijke onderwijsbeleid, gericht op de achterstandspositie van de niet-westerse allochtonen ten aanzien van de autochtonen binnen het onderwijs.

 

 

5.2 Het overheidsbeleid

 

Om de geconstateerde achterstand binnen het onderwijs van de niet-westerse allochtonen te kunnen bestrijden en te beperken heeft de overheid reeds een aantal belangrijke beleidsmaatregelen ingesteld. Dit achterstandenbeleid met betrekking tot onderwijs bestaat uit een vijftal beleidsmaatregelen: het Onderwijskansen- beleid (OK), het Onderwijs in Allochtone Talen (OALT), het Voor- en Vroegschoolse Educatie (VVE), en het Gemeentelijk Onderwijsachterstandenbeleid (GOA).

In het OK-beleid werken scholen, schoolbesturen en gemeenten intensief samen met als doel de concrete problemen in en rond individuele scholen op te lossen. Immers de overheid zou graag via het OK-beleid de optimale ontplooiing van alle talenten van leerlingen dichterbij willen brengen. De school is daarbij het uitgangspunt in deze gewenste situatie met oog op onderwijskansen.

Het OALT had voor het kabinet Balkenende in principe twee doelen: het bieden van lessen in allochtone talen en het aanbieden van lessen in taalondersteuning. Na de val van ons Kabinet Balkenende heeft de Tweede Kamer het voorstel om onderwijs in allochtone levende talen af te schaffen, controversieel verklaard. Toch ligt dit onderwerp zowel onder de burgers als binnen de politiek nog steeds gevoelig en daarom zal het volgende kabinet (na de formatie) zich opnieuw over dit onderwerp beraden.

Te vaak beginnen niet-westerse allochtone kinderen in groep één van de basisschool al met een flinke (taal)achterstand ten opzichte van autochtone kinderen. Deze achterstandspositie zou later ook hun maatschappelijke positie kunnen beïnvloeden. Een vroege aanpak van deze geconstateerde dreigende problemen zou dus erg belangrijk zijn. Het doel van de VVE is daarom dan ook dat niet-westerse allochtone leerlingen met zo min mogelijke achterstand in groep drie van het basisonderwijs beginnen.

Het GOA wat eigenlijk als basisbeleid dient, springt te hulp binnen een situatie waarbij een bepaalde sociale, economische of culturele achtergrond kan betekenen dat een kind bij de start in groep één al fors achterloopt op andere kinderen. Leerlingen die het risico lopen fors achterop te raken krijgen van het GOA extra zorg en aandacht. Met andere woorden betekent dit dat de overheid de volgende gewenste doelen wil bereiken: voor- en vroegschoolse educatie, de beheersing van de Nederlandse taal, de vermindering van de verwijzing naar speciale voorzieningen, de vermindering van schooluitval (waar het VSV- beleid voor staat), een evenredige deelname in het onderwijs, en het volgen en registreren van lokale ontwikkelingen.

 

Taalbeheersing

TAAL is het motto van dit kabinet als het gaat om de integratie van allochtonen in de Nederlandse samenleving. Volgens het kabinet (2002) zou onderwijs op de basisschool erop gericht moeten zijn dat kinderen, ongeacht hun afkomst, de Nederlandse taal onder de knie krijgen. Het leren van andere talen ondermijnt in de ogen van de minister van Onderwijs Van der Hoeven dit streven. Daarom dient het Onderwijs in Allochtone Levende Talen (OALT), zoals Turks of Marokkaans, radicaal geschrapt te worden.

 

Onderwijsinstellingen / Leraren

Leraren vervullen een belangrijke rol in de toerusting en voorbereiding van niet-westerse allochtone jongeren op het (beroeps)leven, maar ook op her-, bij- en omscholing van volwassenen. Verder hebben deze leraren vaak ook een voorbeeldfunctie. Het is volgens de overheid van groot belang dat er voldoende en goed gekwalificeerde (ook naar de geest van de tijd) leraren zijn die vooral de niet-westerse allochtonen extra aandacht en informatie kunnen geven. De belangrijkste verklaringen voor de grotere problemen van bepaalde groepen worden toegeschreven aan een lage sociaal-economische status, het spreken van de moedertaal thuis en verschillen in motivatie om te integreren. Deze aspecten dienen om die reden meegenomen te worden in het beleid van de onderwijsinstellingen om ervoor te kunnen zorgen dat de onderwijsondersteunde (leer)krachten de niet-westerse allochtone leerlingen extra begeleiding en ondersteuning kunnen geven. Contacten met de allochtone ouders zou daarbij voorop kunnen staan.

 

HBO- doorstroom

Met oog op het HBO zijn er specifieke maatregelen nodig en soms ook al aanwezig om bepaalde onderzoeksgroepen waaronder de niet-westerse allochtonen te stimuleren een (specifieke) HBO-opleiding te gaan volgen.

 

 

5.3 Consensus binnen politieke partijen

 

Hoe denken de grootste drie politieke partijen de VVD, PvdA en de CDA over de positie van niet-westerse allochtonen binnen het onderwijs? [19] Deze vraag zal in deze paragraaf beantwoord worden door een overzicht te geven van de verschillende visie van deze partijen met betrekking tot de problematiek van niet-westerse allochtonen binnen het onderwijs. Deze verschillende visies van de drie partijen zijn afgeleid van hun politieke programmas en laten samen de consensus binnen de politiek zien.

 

Hoe denkt de PvdA over onderwijs en allochtonen?

De Partij van de Arbeid streeft in het algemeen ten aanzien van allochtonen naar gezamelijke afspraken met alle Europese landen over het asielbeleid, maar vindt welliswaar belangrijk dat een groot Nederlands aandeel in de opvang van allochtonen moet blijven. Daarmee is voor de PvdA het onderwijsbeleid een belangrijk aspect om integratie van deze allochtonen goed te kunnen laten verlopen. Vooral met oog op de achterstandspositie van de nallochtonen geeft zij het volgende aan:

·         Oog voor de rol van onderwijs in achterstandenbeleid;

·         Extra aandacht voor kwaliteit en reputatie van het VMBO en de mogelijkheden tot doorstroming naar vervolgopleidingen;

·         Diplomabonus voor leerlingen die hun (lbo-)beroepsopleiding afronden;

·         Voor- en vroegschoolse educatie voor alle kinderen die het nodig hebben;

·         Afschaffen vaste boekenprijs; schoolbijdragen van ouders alleen vrijwillig;

·         Betere taakverdeling: leraren, onderwijsassistenten en administratieve medewerkers;

·         Vrijwillige lump sum financiering voor basisscholen: vrij te besteden schoolbudget;

·         Extra investeringen in het wetenschappelijk onderzoek en het hoger onderwijs;

·         Fiscaal stimuleren combinatie werken leren;

·         In 2006 iedere leerling op school toegang tot computers.

 

Conclusie

De PvdA staat dus voor goed onderwijs voor iedereen, je hele leven, dus ook voor niet-westerse allochtonen. De overheid blijft eindverantwoordelijk en garandeert de kwaliteit en toegankelijkheid van alle onderwijs. De (Niet-westerse allochtone) ouders, leraren en (niet-westerse allochtone leerlingen) worden meer verantwoordelijk voor de vormgeving en uitvoering van het onderwijs.

 

Hoe denkt de CDA over onderwijs en allochtonen?

De CDA-fractie legt bij intergratie de accenten. In het programma met oog op het onderwijs wordt gemeld dat: veel gaat goed, teveel mag niet![20] Met andere woorden het integratiebeleid en onderwijsbeleid kan en moet anders volgens het CDA, omdat per jaar naar schatting 15000 nieuwkomers van meer dan 75 verschillende nationaliteiten een nieuw bestaan hebben of beginnen in Nederland. Met oog op het onderwijsbeleid komt de CDA met de volgende voorstellen[21]:

·         Onderwijs op maat! Kleinere scholen en kleinere klassen: één locatie van een basisschool mag maximaal 360 leerlingen en 18 groepen hebben;

·         Speciale aandacht voor waarden en normen, de Nederlandse cultuur en diverse politieke stromingen;

·         Lastenmaximering van de kosten voor ouders met studerende kinderen.

·         Actieve bestrijding van het tekort aan leraren;

·         Vrijheid voor scholen in de besteding van hun budget voor personeel en onderhoud van hun gebouwen;

·         Het collegegeld betaalbaar houden. Geen koppeling tussen selectie en verhoging collegegeld: student niet laten betalen voor eigen talent.

 

Conclusie

Onderwijs is volgens het CDA van belang voor een Nederland dat als kennisland vaak wordt aangemerkt. Toch doet een onderwijzer / leraar meer dan werken aan kennisoverdracht. Een leraar vervult ook de belangrijke rol van cultuurdrager. Hij of zij vormt de leerling door de overdracht van waarden en normen. Deze leraren moeten een gevoelde verantwoordelijkheid voor de toekomst van hun (niet-westerse allochtone) leerlingen krijgen. Dat betekent goede afstemming tussen scholen, jeugdzorg, maatschappelijk werk, allochtone ouders en soms ook politie of justitie.

 

Hoe denkt de VVD over onderwijs en allochtonen?

Volgens de VVD met oog op het onderwijs en achterstandenbeleid van niet-westerse allochtonen moet de Nederlandse taal de topprioriteit verdienen. De gelden voor onderwijs in allochtone talen moeten omgezet worden in gelden voor het Nederlandse onderwijs. De achterstand van onder andere niet-westerse allochtone kinderen moet zo jong mogelijk worden ingelopen. Het onderwijs in allochtone talen heeft volgens de VVD alleen maar negatieve kanten. Immers, niet-westerse allochtone kinderen die al een achterestand hebben worden uit de les gehaald om allochtone talen te leren, waardoor hun beheersing van de Nederlandse taal alleen maar verslechterd. Ook op de vraag of islamitische scholen wel bevorderlijk voor de integratie en de positie van de niet-westerse allochtonen binnen het onderwijs heeft de VVD een antwoord. Al deze scholen moeten volgens de VVD voldoen aan dezelfde kwaliteitseisen, die gecontroleerd worden door de onderwijsinspectie. Wel vindt de VVD het beter dat alle Nederlanders naar dezelfde soort scholen gaan. Aparte scholen zijn vaak een voorbode van een gescheiden samenleving. Beter samen dan apart, volgens de VVD.

 

Conclusie

Het is volgens de VVD een zaak om alles op alles te zetten om de kansen binnen het onderwijs voor niet-westerse allochtonen en autochtonen te vergroten. Daarom moet de Nederlandse taal topprioriteit krijgen. Ook vindt de VVD dat iedere leerling dezelfde theoretische vormen dient te ontvangen. Er moet meer plaats zijn voor praktische en beroepsgerichte leerwegen, waarbij communicatie met de niet-westerse allochtone leerlingen en hun ouders een belangrijke rol speelt.

 

 

5.4 Visie van niet-westerse Allochtonen

 

Naast de visie en de doelstellingen van de overheid zou het ook verstandig zijn, om de meningen en visies van de niet-westerse allochtonen met oog op onderwijs binnen dit hoofdstuk te betrekken. De meningen van de niet-westerse allochtone (vooral ouders) wordt nogal eens vergeten door de overheid, die uiteindelijk het onderwijsbeleid opstelt.

Niet-westerse allochtonen zien, sterker dan autochtone onderzoeksgroepen, de school allereerst als een instelling waar vooral cognitief- gericht wordt geleerd. De school is volgens hen om te leren, thuis is om op te voeden (cultuurachtergrond). Kinderen dienen het liefst zo vroeg mogelijk (vanaf hun 5e) met leren te beginnen. Veel niet-westerse allochtonen vinden dat er op Nederlandse basisscholen te veel wordt gespeeld en te laat wordt begonnen met het echte leren. Zij zien de functie van spelen niet zozeer als een verantwoordelijkheid van de school. Ook de visie op de rol van de leraren is net iets anders dan die van de overheid. Zo zou de rol van leraren (binnen het land van afkomst), maar ook hier in Nederland belangrijker moeten worden. Het onderwijsondersteunend gedrag van ouders (ouders hebben een rol als opvoeder; onderwijzen gebeurt op school, door de school, daar weten ouders niets van, ouders moeten ervoor zorgen dat het thuis goed draait) zou vaak beter en anders kunnen zijn dan die van autochtone ouders. Verder zijn de niet-westerse allochtonen vaak van mening, dat het nut van expressieve en creatieve activiteiten (wat te ver afstaat van het realiseren van cognitieve schoolprestaties) verbeterd zou moeten worden.

Bij de niet-westerse allochtone ouders is ten aanzien van het onderwijs behoefte aan informatie door de onderwijsinstelling. Volgens hen gebeurt dit hedendaags te weinig door de leraren en door de instellingen. Men zou meer tevreden en betrokken zijn met het onderwijs van hun kinderen naarmate de school, meer aandacht aan de kinderen besteedt, de ontwikkelingen van het kind nauwkeurig volgt, veel individuele begeleiding geeft (individualisering); en de ouders regelmatig uitgebreid over de resultaten van het kind worden bericht.

De niet-westerse allochtonen zien de mogelijkheden tot het bieden van lessen in allochtone talen en het aanbieden van lessen in taalondersteuning graag terugkeren in het onderwijsbeleid. Daarom dient het Onderwijs in Allochtone Levende Talen (OALT), zoals Turks of Marokkaans, niet geschrapt te worden, maar als belangrijk onderwerp op agenda van het kabinet gezet te worden.

 

 

5.5 Conclusie - consensus

 

Zoals uit voorgaande paragrafen blijkt, zijn er verschillende visies tussen enerzijds de overheid en de groep niet-westerse allochtonen, en anderzijds tussen de politieke partijen (de overheid) onderling.  Op de vraag wat goed voor de achtergestelde positie van de niet-westerse allochtonen binnen het onderwijs, komen de politieke partijen onderling al met verschillende antwoorden.

Zo valt op dat de VVD de Nederlandse taal de topprioriteit geeft, waardoor de allochtone talen binnen het onderwijs zullen gaan verdwijnen. Dit in tegenstelling tot de CDA die meer op onderwijs op maat hamert en de Nederlandse taal in mindere mate noemt. De PvdA spreekt als enige in het algemeen over achterstandsbeleid. De vraag die hierbij rijst is hoe ziet dat beleid eruit? Deze vraag valt niet te beantwoorden aan de hand van hun programma.

Ten aanzien van de visies van niet-westerse allochtonen en de Nederlandse overheid valt op te merken, dat men verschillend denkt over de verantwoordelijkheid met betrekking tot de opvoeding en het onderwijs van niet-westerse allochtone kinderen. De niet-westerse allochtone ouders zijn van mening, dat de overheid verantwoordelijk is voor het onderwijzen van hun kinderen. De overheid daarentegen gaat uit van een Nederlandse cultuur / maatschappij, waarin er voor veel (autochtone) kinderen al leermomenten aanwezig zijn voor hun vierde verjaardag. Immers vanaf het bereiken van de vierde verjaardag, komt de verantwoordelijkheid over zowel autochtone als niet-westerse allochtone kinderen bij overheid te liggen. Bij het geven van het beeld van consensus binnen de Nederlandse samenleving, spelen aspecten als cultuur en maatschappelijke verschillen weer grote rollen.

 

 


H.6 Conclusie en aanbevelingen

 

 

6.1 Inleiding

 

De laatste jaren is er vanuit overheidswege redelijk veel aandacht geschonken aan de problemen rondom niet-westerse allochtonen. Voornamelijk richtte onze overheid haar beleid op de niet-westerse allochtone jongeren (scholieren). In het rapport zijn verschillende analyses gegeven rondom de posities die deze niet-westerse allochtonen innemen binnen het onderwijs met oog op de arbeidsmarkt (maatschappelijk effect).

In Nederland is er nog steeds sprake van maatschappelijke verschillen met oog op onderwijs en de arbeidsmarkt tussen niet-westerse allochtonen en autochtonen en zelf maatschappelijke verschillen tussen niet-westerse allochtonen onderling. In het rapport is een feitelijke analyse gegeven, van de veronderstelde achterstandspositie van deze niet-westerse allochtonen binnen het onderwijs. De gewenste situatie in Nederland ten aanzien van de problematiek rondom de allochtonen is naar voren gekomen. De Overheid legde voorheen haar nadruk vooral op taal- en identiteitsproblemen. Sinds de laatste jaren is haar aandacht ook steeds meer gevestigd op het sociaal-economisch milieu, waartoe deze niet-westerse allochtonen behoren. Deze gedachte en aandacht is natuurlijk terecht en ligt daarom in dit hoofdstuk ten grondslag, om zodoende te kunnen komen tot een aantal belangrijke aanbevelingen rondom onderwijs en de arbeidsmarkt. Binnen dit hoofdstuk zal een antwoord worden gegeven op de centrale vraag: Hoe de veronderstelde achterstandspositie van niet-westerse allochtonen ten opzichte van autochtonen binnen het onderwijs zich laat verklaren.

 

 

6.2 Conclusies

 

Onderwijspositie:

-            Er is zeer zeker sprake van een onderwijsachterstand van niet-westerse allochtonen;

-            Eind jaren tachtig is vastgesteld dat niet-westerse allochtone leerlingen in het onderwijs bij lange na niet het niveau halen van hun autochtone medeleerlingen. De gegevens en analyses die in deze AMV-rapportage zijn gepresenteerd, maken duidelijk dat hierin in de loop van de jaren negentig nagenoeg niets is veranderd;

-            Er is onder de jongeren uit de niet-westerse allochtone groeperingen nog sprake van een (te) groot deel ongediplomeerden met geringe maatschappelijke mogelijkheden;

-            Het opleidingsprofiel van de tussengeneratie en van een deel van de gezinsvormers ligt erg ongunstig;

-            Er zijn ook onder de 25-40-jarigen niet-westerse allochtonen nog velen die grote moeite hebben met het beheersen van het Nederlands;

-            In de laatste plaats is er de voortgaande asielmigratie. Een deel van de nieuwe migranten heeft weliswaar een goede opleiding, maar een ander deel niet en zij hebben meer moeite met het Nederlands dan de andere hoogopgeleide migranten.

 

Oorzaken:

-            Een te lage opleiding en een gebrekkige beheersing van de Nederlandse taal worden na onze analyse algemeen beschouwd als belangrijkste oorzaken voor de achterstandspositie van niet-westerse allochtonen binnen het onderwijs en in de Nederlandse samenleving;

-            Er is al een achterstand in cognitieve ontwikkeling en taalvaardigheid in het Nederlands onder niet-westerse allochtonen bij aanvang van het basisonderwijs;

-            De onderwijsachterstandspositie van niet-westerse allochtonen is te wijten aan het gegeven dat de basisscholen er slechts in zeer beperkte mate in slagen om in de acht leerjaren die daarvoor beschikbaar zijn de achterstand te verminderen. Het resultaat is vervolgens dat de niet-westerse allochtone leerlingen aan het einde van het basisonderwijs vooral in hun taalontwikkeling achterliggen op autochtone leerlingen;

-            Leerkrachten in basis- en voortgezet onderwijs hanteren bij beslissingen over de schoolloopbanen voor leerlingen uit de minderheden lagere prestatiemaatstaven dan voor autochtone leerlingen.

 

 Maatschappelijke effecten:

-            Bij de verklaring van de uiteindelijke positie op de arbeidsmarkt blijkt het behaalde opleidingsniveau steeds weer een grote rol te spelen. In de analyse van schoolprestaties en het behaalde opleidingsniveau is gebleken dat niet-westerse allochtone leerlingen in het Nederlandse onderwijs lang niet het niveau halen van autochtone leerlingen.

-            Ondanks dat er op vrijwel alle arbeidsmarktindicatoren sprake is van een gunstige ontwikkeling. De deelname (arbeidsparticipatie) van niet-westerse allochtonen op de arbeidsmarkt neemt toe, de werkloosheid is verminderd, het aantal werkende niet-westerse allochtonen is gegroeid;

-            Blijft de werkloosheid onder zowel de Turken als de Marokkanen is vier tot zeven keer zo hoog als onder de autochtonen;

-            De werkloosheidspercentages onder de Surinamers en Antillianen zijn twee tot vier keer zo hoog als onder de autochtonen;

-            Door het hoge uitval percentages onder niet-westerse allochtonen en de veelal lagere opleidingsniveau als autochtone leerlingen komen veel niet-westerse allochtonen in de lagere looncategorieën (arbeidsbureaus) op de arbeidsmarkt terecht;

-            De alle negatieve publiciteit (werkeloosheid enz) met betrekking tot niet-westerse allochtonen werkt de integratie van deze groep mede tegen.

-            Doordat veel niet-westerse allochtonen een slecht opleidingsniveau, slechte positie op de arbeidsmarkt, vaker werkeloos zijn en uiteindelijk een slechte sociale positie innemen, is deze groep eerder geneigd om in crimineel gedrag te vervallen.

 

 

6.3 Aanbevelingen onderwijs

 

Van autochtone leerlingen is reeds uit eerdere onderzoeken al gebleken dat factoren als beroep en opleiding der ouders, hun houding naar het onderwijs toe, de woonsituatie en dergelijke gezien mogen worden als factoren die van zeer groot gewicht zijn voor het cognitief ontwikkelingsniveau en daardoor het succes van de leerlingen. Met deze gedachte ten grondslag kunnen de volgende aanbevelingen gedaan worden:

 

Algemeen overheidsbeleid:

·         Om vroegtijdige schoolverlaters te voorkomen zou de overheid de leerplicht kunnen gaan bevorderen, de participatie van de ouders daarbij bevorderen en de ouders verplichten zich in te leven in het Nederlandse onderwijs en de Nederlandse maatschappij (al vanaf de inburgeringcursus).

·         Extra steun niet-westers allochtone leerlingen is nog tien jaar nodig. De overheid mag de extra vergoeding voor allochtone leerlingen niet zomaar afschaffen. Dat zou basisscholen ernstig in de problemen brengen.[22] Volgens GAO blijkt uit taaltoetsen van het Cito dat allochtone leerlingen weliswaar steeds beter presteren, maar altijd nog flinke achterstanden hebben.

·         Het voorkomen van onderwijsachterstanden zou mede mogelijk gemaakt kunnen worden door een levensloopbewust beleidskader, die de noodzaak om de bestuurlijke vormgeving van het onderwijsachterstanden- en zorgbeleid te vereenvoudigen, de budgetten te integreren en de eindverantwoordelijkheid bij één partij neer te leggen, zou kunnen onderstrepen. Daarbij zou de volgende beleidsopties van toepassing kunnen zijn[23]: toevoeging aan de lumpsum van de scholen, bij voorkeur met prestatieafspraken; toevoeging aan het gemeentebudget voor een geïntegreerd jeugdbeleid, waarbij convenanten met beleidsdoelstellingen en resultaatverplichtingen kunnen worden afgesloten;

·         Beïnvloeding van het cognitief niveau niet beperken tot alleen maatregelen via de school, maar tevens huis- en woonmilieu hierbij betrekken;

·         Bepaalde cursussen en voorlichtingsdagen zouden wellicht zodanig opgezet kunnen worden dat het contact met de niet-westerse allochtonen en het onderwijs bevorderd wordt. De overheid kan hierin een noodzakelijk rol kunnen spelen door bijvoorbeeld deze cursussen te verplichten en mogelijk te subsidiëren.

 

Beleid - taalachterstand:

·         Bij het blijken van onvoldoende beheersing van de Nederlandse taal onder de scholieren, zou het mogelijk moeten blijven hier extra aandacht aan te besteden. Er zou eventueel door de overheid en binnen het onderwijs een stimuleringsbeleid ten aanzien van het leren van de Nederlandse taal opgesteld kunnen worden;

·         Een slechte beheersing van de Nederlandse taal, analfabetisme, onbekendheid met het Nederlandse onderwijs bij de ouders van niet-westerse allochtone scholieren, kan belemmerend werken ten aanzien van de ontwikkeling van deze scholieren werken. De ouders dienen door beleid gestimuleerd te worden te participeren in het onderwijs van hun kinderen, het Nederlands machtig te zijn, en bekendheid te krijgen binnen het onderwijs;

·         Scholen willen de taalachterstand van niet-westers allochtone leerlingen zo snel mogelijk opheffen, zodat zij de gewone Nederlandse lessen kunnen volgen. Maar om dat te verwezenlijken zijn tweetalige leerkrachten onontbeerlijk. Die zijn er echter nauwelijks. Dat is een van de bevindingen in rapport van het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP) over Onderwijs in allochtone levende talen;

·         Er zouden boetes voor allochtonen die geen Nederlands willen leren moeten komen. Uit een onderzoek SCP blijkt dat maar liefst 70% van de zogenoemde oudkomers, mensen die soms al vele jaren in Nederland wonen, opmerkelijk snel stoppen met taalles. Ze haken af door zwangerschap, verhuizing, werk of omdat ze geen zin meer hebben. Jaarlijks volgen slechts 30.000 oudkomers taallessen;

·         Niet-westerse allochtonen die moedwillig een potje maken van de Nederlandse taallessen, moeten een boete krijgen.

 

Onderwijsinstelling:

·         De rol van de leraar (zoals reeds werd bevestigd in de Tubantia zie paragraaf 5.4) zal moeten worden vergroot. De leraar dient dus meer verantwoording te krijgen ten aanzien van de opvoeding van de scholieren, zodat hij inzicht in de ontwikkeling van zijn scholieren krijgt;

·         De reeds eerder aangekondigde maatregelen om niet-westerse allochtone ouders meer bij het schoolleven te betrekken, behelzen mogelijk het aanstellen van contactpersonen ofwel vaak schoolcontactleerkrachten genoemd;

·         Het overheidsbeleid dient om deze reden en maatregelen mogelijk meer afgestemd te worden op het creëren van een zogenoemde brugfunctie[24] tussen school (onderwijs) en thuissituatie (ouders, woonsituatie, etc.);

·         Individualisering in onderwijskundige zin zou een uitkomst kunnen bieden in het feit dat niet-westerse allochtonen extra aandacht kunnen gebruiken met oog op onderwijs. Individualisering in onderwijskundige zin zou zich dan vooral nog meer in de vorm van pedagogische-didactische werkwijzen, waarin de individuele niet-westerse allochtone leerling centraal wordt gesteld, manifesteren. Termen als differentiatie binnen klassenverband, onderwijs op maat of adaptief onderwijs en het studiehuis passeerden ze de revue, maar verdienen meer aandacht van de overheid en daarop gericht beleid dan tot op heden het geval is.

 


H.7 Eindoverweging

 

 

Na een uitgebreide analyse van de positie van de niet-westerse allochtonen binnen het onderwijs komen wij nu toe aan het formuleren van ons persoonlijk eindoordeel, ofwel een eindoverweging van ons rapport.

 

·       Onderwijspositie niet-westerse allochtonen

Wij zijn van mening dat het opleidingsniveau, sociale positie en de herkomst van de ouders wel degelijk zeer van invloed kunnen zijn op de schoolprestaties van de kinderen en op hun succes in het onderwijs. Ook is volgens ons het gebrek aan beheersing van de Nederlandse taal één van de belangrijkste factoren die de onderwijsachterstandspositie van de niet-westerse allochtonen kan verklaren. Gezien het feit dat er binnen het algemene onderwijs weinig individuele ondersteuning door de onderwijsinstelling en leerkrachten wordt gegeven, is een nog groter wordende onderwijsachterstandspositie te verwachten. Immers naar onze verwachtingen zijn de meeste onderwijsinstellingen niet voorbereid op de toch hoge concentratie niet-westerse allochtonen met een onderwijsachterstandspositie. De situatie in de praktijk zou wel eens kunnen zijn dat, sommige leerkrachten in basis- en voortgezet onderwijs bij beslissingen over de schoolloopbanen voor niet-westerse allochtone leerlingen lagere prestatiemaatstaven hanteren dan voor autochtone leerlingen. Dit heeft natuurlijke weer nadelige gevolgen voor positie van deze niet-westerse allochtonen binnen het onderwijs en uiteindelijk op de arbeidsmarkt. De overheid zou met haar beleid meer maatregelen kunnen nemen. Dit gebeurt naar onzes inziens tot op heden te weinig.

 

·       Maatschappelijk effecten

In ons rapport worden verschillende maatschappelijke effecten van de onderwijsachterstandspositie van niet-westerse allochtonen genoemd. Ten aanzien van criminaliteit als effect van deze achterstandspositie zijn wij van mening dat het aanvankelijk vaak gebruikte vergoelijkende argument, dat de geboortecijfers bij niet-westerse allochtonen nu eenmaal hoger liggen dan bij autochtonen en dat derhalve meer jongeren bij criminaliteit betrokken zouden kunnen zijn, niet door de herweging van de cijfers en analyses opgaat. Ook de sociaal-economische achterstandspositie van nieuwe Nederlanders mag naar ons idee geen excuus meer zijn, dat de criminaliteit onder niet-westerse allochtonen na correctie op sociaal-economische en demografische factoren nog anderhalf tot drie keer zo hoog is als onder autochtone Nederlanders.

Met betrekking op de uiteindelijke positie op de arbeidsmarkt van niet-westerse allochtonen blijkt het behaalde opleidingsniveau steeds weer een grote rol te spelen. In de analyse van schoolprestaties en het behaalde opleidingsniveau is gebleken dat niet-westerse allochtone leerlingen in het Nederlandse onderwijs lang niet het niveau halen van autochtone leerlingen en zodoende minder kans maken op een (vaste) baan op de arbeidsmarkt. Als laatste kan benadrukt worden dat dus vooral de negatieve gevolgen van de onderwijsachterstandspositie voor de maatschappelijke positie van allochtone leerlingen op latere leeftijd gaan gelden. Het gevolg van een achtergestelde positie binnen het onderwijs en op de arbeidsmarkt zou volgens ons kunnen zijn ,dat de integratie van deze niet-westerse allochtonen steeds lastiger zal gaan worden, met als uiteindelijk resultaat dat de integratie vooral mythe zal blijven.

 

·       Toekomstvisie

Met oog op de toekomst kan worden opgemerkt dat de kloof tussen autochtone en niet-westerse allochtonen binnen het onderwijs te groot is. Naar onze mening zou deze kloof wel blijvend zijn en hoogstwaarschijnlijk in de toekomst nog verder groeien, aangezien de onderzoeksgroep steeds groter wordt. De belangrijkste positieve factor daarbij is volgens ons wel dat de oudere generaties niet-westerse allochtonen worden opgevolgd door een jongere generatie die beter is opgeleid en die de Nederlandse taal beter beheerst. Wat betreft de ontwikkeling van het opleidingsniveau ziet het volgens ons ernaar uit dat er onder de niet-westerse allochtonen sprake is van een mogelijke talentenreserve die gebruik kan en moet maken van de kansen die het Nederlandse onderwijsstelsel hen biedt.

 

 

 


Literatuurlijst

 

 

¨        Berkhout, Drs. A., Mateman, Drs. S., Odé, Dr. A., Minderheden aan het werk,  Elsevier bedrijfsinformatie B.V., Doetinchem, 2002.

 

¨        Bussemaker, Mw. E., Brief aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal, Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, 2002.

 

¨        Grit, R., Projectmanagement, Uitgeverij Wolters-Noordhoff, Groningen, 2000.

¨        Lissens, W., Welzo online, 2002, http://www.welzijn.net/Muurkrant/Sociaal_nieuws.htm

 

¨        Olde Monnikhof, M., Buis, T., De werving en selectie van etnische minderheden, Ministeries van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en Binnenlandse Zaken, Elsevier bedrijfsinformatie B.V., Doetinchem, 2001.

 

¨        Overdijk-Francis, Mr. J.E., Wet bevordering Evenredige Arbeidsdeelname Allochtonen, Analyse en beleidsimplicaties, Bohn Stafleu Van Loghum, Houten / Diegem, 1995.

 

¨        Publicaties Service Standaarden, Organisatie Publicaties Webmagazine, (http://www.cbs.nl/nl/publicaties/artikelen/algemeen/webmagazine/artikelen/2002/1095k.htm)

 

¨        Rosenmöller, P., Groenman, L., Dijkstal, H., Arbeidsdeelname allochtonen, Handleiding Wet bevordering evenredige arbeidsdeelname allochtonen, Uitgeverij Kluwer, Deventer, 1994.

 

¨        Sociaal en Cultureel Planbureau, Rapportage minderheden 1999, positie in het onderwijs en op de arbeidsmarkt, oktober 1999.

 

¨        Janssen, J., Spits, woensdag 19 maart 2003.

 

¨        Sociaal en Cultureel Planbureau, Rapportage Minderheden, 2001.

 

¨        Steehouder, M., e.a., Leren communiceren, Handboek voor schriftelijke communicatie, Uitgeverij Wolters-Noordhoff, Groningen, 1992.

 

¨        Tesser, P.T.M., Iedema, J., Rapportage minderheden 2001.

 

¨        Verkenning Grenzeloos Leren, beleidsopties 2002.

 

¨        Tubantia, dagblad, 5 maart 2003.

 

¨        Vries, de, drs. M. H., Waar komen zij terecht? De positie van jeugdige allochtonen in het onderwijs en op de arbeidsmarkt, Adviescommissie Onderzoek Minderheden (ACOM), Ministerie van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk Werk, Staatsuitgeverij, s-Gravenhage, 1981.

 

¨        Werf, van der, S., Allochtonen, een inleiding in de multiculturele samenleving, Uitgeverij Coutinho, Bussum, 2001.

 

¨        Overige internetsites:

http://www.scp.nl                                 http://www.nrc.nl

http://www.cbs.nl                 http://www.groenlinks.nl

http://www.goa.nl                 http://www.onderwijsachterstanden.nl

http://www.minocw.nl          http://mediatheek.thinkquest.nl/~lla063/onderwijs.htm

 

 


Bijlage 1 CBS-cijfers[25]

 

 

 


Figuur 1: Arbeidsdeelname naar herkomst en geslacht, 2001

 

 

Figuur 2: werkloosheidscijfers naar herkomst, 2001.

 



[1] Rosenmöller, P., e.a., Arbeidsdeelname, 1994, p. 9.

[2] Publicaties Service Standaarden, Organisatie Publicaties Webmagazine, (http://www.cbs.nl/nl/publicaties/artikelen/algemeen/webmagazine/artikelen/2002/1095k.htm)

[3] Allochtonen van invloed op cijfers, Dagblad Tubantia, 5 maart 2003.

[4] Op basis van publicatie: Mariëlle Reemers, Bron: StatLine, Centraal Bureau voor de Statistiek, Voorburg/Heerlen, 2002.

 

[5] Allochtonen in Nederland 2002

[6] Woordenboek Van Dale, www.vandale.nl

[7] Rosenmöller, P., e.a., Arbeidsdeelname, 1994, p. 23.

[8] Overdijk-Francis, Mr. J.E., Wet bevordering Evenredige Arbeidsdeelname Allochtonen, Analyse en beleidsimplicaties, 1995.

 

[9] Allochtonen binnen het onderwijs 2001/2002

[10] Onderwijs doorstoomwijzer allochtonen CBS 2002

[11] Onderwijsverslag over 1997, posities minderheden in het buitenland.

[12] Rosenmöller, P., e.a., Arbeidsdeelname, 1994, p. 9.

[13] Mulder, 1996

[14] Rapportage Sociaal en Cultureel Planbureau, 2001.

[15] Sociaal Cultureel Planbureau (SCP), 2002.

[16] Vries, de, drs. M. H., Waar komen zij terecht?, 1981.

[17] Vries, de, drs. M. H., Waar komen zij terecht?, 1981.

[18] Vries, de, drs. M. H., Waar komen zij terecht, 1981.

[19] http://mediatheek.thinkquest.nl/~lla063/onderwijs.htm

[21] http://www.cda.nl

[22] Marlies Gommers, directeur van de Stichting Geïntegreerd Achterstandbeleid Onderwijs( GAO).

[23] In de Verkenning Grenzeloos Leren worden deze beleidsopties gegeven.

 

[24] Vries, de, drs. M. H., Waar komen zij terecht?, 1981; Rosenmöller, Arbeidsdeelname allochtonen, 1994.

[25] Schemas en figuren zijn afkomstig van het CBS 2001 / 2002 / 2003; http://www.cbs.nl.

Multicultureel beleid (NL)

Consultancy AvdM is een ondernemende researchsite. Opgericht in 2002 verzorgt ‘AvdM’ onderzoek in wetenschapsgebieden van ‘bestuurskunde’.

Deze site bevat auteursrechten. Kopiëren , knippen, en uitprinten van de rapporten en essays mag alleen voor eigen gebruik. De auteurs zijn niet verantwoordelijk voor eventuele wijzigingen of fouten op deze website.

-----------------------------------------------Consultancy AvdM - Drs. A. van de Maat -------------------------------------------------